Felisberto - Escritor y músico Uruguayo (Montevideo 1902 – 1964) - Sitio Oficial

Nederlander

HOL-Domeinen-tapa-2004-media

HOL-Domeinen-2004-indice-media

Verantwoording

De (her)ontdekking van een sinds lang vergeten of maar bij weinigen bekende schrijver is altijd een bijzondere gebeurtenis. Zeker wanneer het, zoals bij de Uruguayaan Felisberto Hernández, gaat om een auteur wiens naam al snel na verschijning van zijn eerste verhalen met respect door collega’s werd gefluisterd.
Felisberto Hernández was eigenlijk pianist. Hij verdiende de kost met het geven van concerten in het gebied rond de Río de la Plata en met het begeleiden van stomme films in de bioscoop. Zijn leven als musicus heeft voor een groot aantal verhalen als inspiratiebron gediend. Mensen die hem hebben gekend beweren wel dat Hernández zelf meer waarde hechtte aan een erkenning als musicus en componist dan aan die als schrijver. Maar gezien de moeite die hij steeds heeft gedaan om zijn werk gepubliceerd te krijgen en zijn dankbaarheid jegens zijn Franse vriend Jules Supervielle, die hem in Frankrijk introduceerde, mag daaraan worden getwijfeld. Zeker is in elk geval dat alie hartstocht en intelligentie van een man die met een bijna kinderlijke instelling naar de wereld en naar zichzelf keek, zijn terug te vinden in de wonderbaarlijke verhalen die hij heeft nagelaten.
Lange tijd gold Felisberto Hernández onder collega’s als een cult-schrijver wiens boeken in een kleine kring van ingewijden van hand tot hand gingen. Gabriel García Márquez noemt Hernández bijvoorbeeld enkele keren in zijn autobiografie Leven om het te vertellen en heeft eens gezegd dat zijn verhalen hem en zijn vrienden de ogen openden voor een geheel nieuwe manier van schrijven. Ook Julio Cortázar was zeer gecharmeerd van de onconventionele Uru­guayaan. En Ítalo Calvino schreef in zijn voorwoord bij de Italiaanse vertaling van Niemand deed de lampen aan:‘Felisberto Hernán­dez is een schrijver die op niemand lijkt; niet op een van de Europese schrijvers en niet op een van de Latijns-Amerikaanse schrijvers; hij is een solist, een eenling die elke poging tot classificatie of etikettering tart, maar die onmiddellijk herkenbaar is voor wie zijn boeken openslaat.’
De literaire productie van Felisberto Hernández is grofweg in drie perioden te verdelen. De eerste periode bestaat uit veelal korte, ex­perimentele verhalen. Hieronder vallen zijn eerste boek, Een zekere dinges (1925), Boek zonder omslag (1929), Het gezicht van Ana (1930), De vergiftigde vrouw (1931) en enkele losse, in tijdschriften gepubliceerde verhalen. Boek zonder omslag (‘Dit boek heeft geen omslag omdat het open en vrij is: er kan zowel voor ais na geschreven worden’) baarde opzien bij een klein groepje selecte lezers; het was letterlijk wat de titel al aangeeft: een boek zonder omslag. De oplage was zeer beperkt, enkele honderden exemplaren.
De tweede periode wordt gevormd door een drietal langere verha­len, novellen eigenlijk; in één geval {Domeinen van het geheugen uit 1944, dat pas in 1966 postuum verscheen) spreekt men zelfs van een onvoltooide roman. Ten tijde van Clemente Colling (1942), Het loslopende paard (1943) en Domeinen van het geheugen zijn gebaseerd op jeugdherinneringen van Hernández, maar tegelijk zijn ze ook een verkenning van het geheugen zelf: hoe werkt het en wat doet het met degene die zich herinnert. Het zijn pogingen om ‘het drama van het geheugen’, zoals hij het zelf eens heeft omschreven, in woorden vast te leggen.
De derde periode omvat verhalen die een haast surrealistische, dromerige sfeer uitademen. Het zijn de verhalen uit de bundel Niemand deed de lampen aan (1947), de novelle De Hortensia’s en een aantal losse verhalen zoals Het ondergelopen huis, De krokodil, Lucrecia en Úrsula.
Uit de eerste periode mag om auteursrechtelijke redenen helaas niets meer worden gepubliceerd, maar de verhalen uit de tweede en derde periode zijn, afgezien van De Hortensia’s en Úrsula, integraal in deze bundel opgenomen. Daarbij is een volgorde aangehouden die enigszins afwijkt van de volgorde van het jaar van publicatie. Dat heeft vooral te maken met de wat grotere toegankelijkheid van de verhalen uit de laatste periode, maar ook met het feit dat bij een aantal verhalen nogal wat onzekerheid bestaat over de periode waarin ze geschreven of voor het eerst gepubliceerd zijn, omdat

Hernández dat zelf lang niet altijd aangaf en er soms verschillende, ongedateerde versies van één verhaal bestonden.

 

Levensloop van Felisberto Hernández

  • 1902.

Felisberto wordt op 20oktober in Montevideo geboren ais eerste van vier kinderen van Juana Hortensia Silva en Prudencio Hernández, een aannemer afkomstig van de Canarische Eilanden en twintig jaar ouder dan zijn vrouw. Felisberto hangt erg aan zijn moeder, die hem op een bijna overdreven manier in bescherming neemt, maar zijn oudtante Deolinda is in feite de baas in huis.
In zijn verhalen beschrijft Felisber­to de ‘wrede grappen’ van deze oud­tante, die hem’s nachts vaak liet schrikken met schaduwspelletjes of een pad op zijn buik legde terwijl hij sliep. Hij beschrijft echter niet hoe zij hem naar de winkel stuurde met onduidelijke boodschappen die hem volledig in verwarring brachten of hoe ze dreigde hem met de zweep te zullen straffen zonder te zeggen wanneer ze dat zou doen. Het gevolg was dat Felisberto vaak’s nachts wakker lag, bang voor het aanbreken van de dag en de vermeende zweepslagen van Deolinda.
De herinneringen aan zijn vroege jeugd, zijn geboortehuis aan de voet van een heuvel, de grote bomen, de straten in de omgeving, de verschillende verhuizingen en zijn uitgebreide familie zullen later in zijn eerste verhalen opduiken.

  • 1908

Zijn oudtante sterft. Felisberto gaat naar school. In Eerste verzinsels vertelt hij hoe hij op een dag zijn juf zag zitten en ontzettend veel zin kreeg om onder haar rokken te wonen als een kuikentje onder de moederkloek.

  • 1911

Hij krijgt pianoles bij Celina Moulié, een Franse lerares en de toekomstige hoofdpersoon van zijn verhaal Het loslopende paard.

  • 1914

Hij gaat bij de Uruguayaanse ‘boy-scouts’Vanguardias de la Patria (Voorhoede van het Vaderland) en trekt met hen langs de dorpen in het binnenland, waarbij hij ook een tocht door de Andes maakt naar de stad Mendoza in Argentinië. Over deze reis vertelt hij in Domeinen van het geheugen.

  • 1915

Hij leert Clemente Colling kennen, de blinde en eenogige organist en pianoleraar die hem zal inspireren tot het schrijven van een ander lang ver­haal: Ten tijde van Clemente Colling.

  • 1917

Om zijn familie financieel bij te staan, begint hij te werken ais begeleidend pianist in een bioscoop voor stomme films. Door zijn totale toewijding aan de piano heeft hij geen tijd om verder te gaan met zijn universitaire studie.

  • 1918

Hij begint thuis privé-muzieklessen te geven om in zijn onderhoud tevoorzien. Zelf besteedt hij dagelijks zo’n twaalf tot veertien uur aan zijn pianostudie.

  • 1919

Felisberto brengt een vakantie door in Maldonado en leert daar zijn toekomstige impresario en uitgever kennen, Venus González Olasa, en María Isabel Guerra, een vijf jaar oudere lerares met wie hij een liefdesverhouding begint, ondanks de afwijzing van de familie Guerra, die hem te onevenwichtig vindt. Om haar te kunnen zien reist Felisberto één keer per week naar Maldonado onder het voorwendsel dat hij haar pianoles geeft.

  • 1920

Van Clemente Colling krijgt hij les in compositie en harmonieleer. Van hem leert hij ook om een goede muziekleraar te zijn en ‘bewustzijn te hebben in al zijn vingers’.

  • 1922

Hij leert de filosoof Carlos Vaz Fer­reira kennen, wiens ideeën hem sterk zullen beïnvloeden. Hij begint reci­tals te geven en speelt daarbij verscheidene eigen composities.

  • 1924

Hij haalt zijn familie over Clemente Colling in huis te nemen. Ze leven een jaar samen, maar de aanwezigheid en het gebrek aan hygiëne van Colling zorgen ervoor dat veel vrienden het huis voortaan mijden. Felisberto’s moeder besluit ten slotte te verhuizen om een eind aan de situatie te maken.

  • 1925

Hij trouwt met María Isabel Guerra en ze gaan in de buurt van Carlos Vaz Ferreira wonen. Felisberto neemt regelmatig deel aan de muzikale avondjes die de filosoof organiseert, een aantal keren zelfs ais solist.
Hij publiceert Een zekere dinges, in een eigen uitgave in klein formaat, een verhaal dat geprezen wordt door zijn vrienden.

  • 1926

Hij begint te werken ais pianist in het orkest van café La Giralda in Monte­video. Op een dag krijgt hij bij aankomst in het café echter te horen dat ze’een damesorkest hebben gecontracteerd’ en hem niet meer nodig hebben. Zijn vader bezorgt hem een baantje ais pianist en dirigent in een klein café-chantant in Mercedes, een dorpje in het binnenland. Vanaf dat moment tot 1942 zal Felisberto, om in zijn onderhoud te voorzien, de dorpen van Uruguay en de provincie Buenos Aires afreizen om recitals te geven in sociëteiten, op scholen en bij liefdadige instellingen.
Clemente Colling sterft. Felisberto verneemt het nieuws terwijl hij in Mercedes is.
Zijn eerste dochter wordt geboren: Mabel Hernández Guerra. Felisberto is vanwege zijn werk niet bij de geboorte aanwezig en ziet haar pas vier maanden later voor het eerst.

  • 1927

Hij geeft zijn eerste concert in Mon­tevideo in het Teatro Albéniz en voert daarbij ook twee stukken van eigen hand uit.

  • 1928

Hij geeft een tweede recital in het Huis van de Kunst in Montevideo. Dit concert wordt door de Uruguayaanse pers unaniem geprezen.

  • 1929

Hij publiceert zijn tweede boek, Boek zonder omslag, dat lovende kritieken krijgt. Hij maakt opnieuw een tournee door het binnenland.

  • 1930

Publicatie van zijn derde boek, Het gezicht van Ana.

  • 1931

Zijn vierde boek, De vergiftigde vrouw, kan net ais zijn eerdere uitgaven rekenen op levendige interesse se van een kleine kring van vrienden en bekenden in de wereld van de cultuur, maar geen van zijn boeken wordt verder verspreid.
Scheiding van María Isabel. Zijn dochter zal hij pas drieëntwintig jaar later terugzien, op de dag van haar huwelijk. Vanaf dat moment zullen ze elkaar niet meer uit het oog verliezen.

  • 1935

Tijdens een eerbetoon aan Felisberto ais pianist in het Ateneo in Montevideo ontmoet hij de schilderes Amalia Nieto en wordt op slag verliefd op haar.

  • 1937

Huwelijk met Amalia Nieto. Aanvankelijk worden ze financieel gesteund door de familie Nieto en heb­ben ze weinig zorgen.

  • 1938

Geboorte van zijn tweede dochter, Ana María Hernández Nieto. Felis­berto begint weer met zijn tournees, dit keer door Argentinië.

  • 1939

Na zijn concert in Buenos Aires wordt hij algemeen erkend ais een virtuoos pianist.

  • 1940

Hij vervolgt zijn tournee door de pro­vincie Buenos Aires. Dan sterft zijn vader en keert hij terug naar Uru­guay. Zijn financiële situatie is dan al precair. Zijn voortdurende afwezigheid en de toename van schulden zor­gen voor conflicten in zijn huwelijk. Op aandringen van Amalia besluit hij in de garage van de familie Nieto een boekhandel te openen: Het Witte Ezeltje. Al na een paar maanden is het ter ziele.
Hij bezoekt regelmatig de psychia-trische afdeling van een ziekenhuis waar zijn vriend, dokter Alfredo Cáceres, werkt. Hij interesseert zich voor bepaalde vormen van waanzin. Op een dag gaat hij met zijn vriend mee naar een patiënt: een jonge, hele dikke vrouw die in een ruimte achter de zaak van haar familie leeft, een groen geverfd vertrek zonder ramen en slechts verlicht door kunstlicht. De jonge vrouw, die aan waterzucht lijdt, brengt haar tijd liggend door. Felisberto is diep onder de indruk en merkt tegen dokter Cáceres op: ‘Deze vrouw heeft een raam nodig. Ik zal een verhaal voor haar schrijven.’ Hij schrijft Het balkon, het verhaal van een vrouw die verliefd wordt op haar balkon.

  • 1942.

Achtervolgd door economische problemen en niet in staat die op te lossen, neemt hij een drastisch besluit: hij verkoopt zijn piano. Diezelfde dag verlaat hij Amalia.
Hij gaat met zijn moeder in een zeer armoedig pension wonen. Frustratie en verbittering vreten aan hem. De middagen brengt hij door in de cafés van de stad met een schrijfmap vol manuscripten die hij herhaaldelijk corrigeert.
Met hulp van zijn vrienden publiceert hij zijn eerste novelle: Ten tijde van Clemente Colling. Hij krijgt er de prijs van het ministerie van Onderwijs voor en een aantal lovende kritieken. Hij overhandigt een exemplaar aan de Fransman Jules Super­vielle, die pas in Montevideo is aangekomen, op de vlucht voor de ver-schrikkingen van de oorlog in Euro­pa. Korte tijd later krijgt hij een brief vol lovende woorden. Deze erkenning betekent een ommekeer in zijn leven en vormt het begin van een lange en vruchtbare vriendschap.

  • 1943

Gesteund door Supervielle en door zijn nieuwe vriendin, de schrijfster Paulina Medeiros, volgt een periode waarin hij zich uitsluitend wijdt aan het schrijven. Medeiros introduceert hem in kringen van Uruguayaanse en Argentijnse intellectuelen. Felisberto heeft een langdurige relatie met Pau­lina Medeiros, die we kennen dankzij de publicatie van hun briefwisseling. Medeiros vertelt: ‘Toen ik hem leerde kennen droeg hij midden in de zomer twee wollen truien over elkaar; hij rilde en klaagde over pijn in zijn gewrichten.’ Zijn zwakke gestel maakt
dat hij zich soms tijdenlang volledig terugtrekt, vooral wanneer hij schrijft of componeert. Om te schrij­ven heeft hij absolute stilte nodig; het minste geluid stoort hem en dan kost het hem de grootste moeite om zich weer te concentreren.
Hij publiceert Het loslopende paard, bekroond door de Salón Mu­nicipal van Montevideo.

  • 1944

Dankzij de publicatie van zijn eerste verhalen in dagbladen en tijdschriften neemt het aantal bewonderaars toe. Hij publiceert fragmenten vanDomeinen van het geheugen en leest ze voor op de radio, waar hij ook een aantal eigen pianocomposities speelt in het kader van een eerbetoon aan schrijvers van Amerika.
Hij gaat bij de radio werken voor de Uruguayaanse Auteursbond, waar hij naar uitzendingen moet luisteren voor het vaststellen van de uit te keren auteursrechten. Het is een broodwinning en hoewel hij ook ander werk bij de radio doet, blijft het een tamelijk saaie bezigheid. In 1956 neemt hij ontslag.

  • 1945

In Amigos del Arte (Vrienden van de Kunst) wordt hij door Jules Super­vielle met lovende woorden voorgesteld aan een groter publiek.
Hij publiceert zijn verhaal Het balkon in de Argentijnse pers.

  • 1946-1948

Dankzij Supervielle kent de Franse regering hem een schrijversbeurs in Parijs toe. Twee jaar lang woont hij in Hotel Rollin in de rue de la Sorbon­ne, ver weg van alies wat geen deeluitmaakt van het Uruguayaanse milieu of van de kringen van Superviel­le. Roger Caillois is geïnteresseerd in zijn werk en publiceert enkele verha­len. In Europa is hij naarstig op zoek naar een populariteit die hem vroeger niet interesseerde.
In 1947 publiceert de Argentijnse uitgeverij Sudamericana zijn verha-lenbundel Niemand deed de lampen aan.
Hij leert María Luisa Heras ken­nen, een Spaanse couturière en weduwe die gevlucht is voor de burgeroorlog. Hij wordt opnieuw hevig verliefd. Bij zijn terugkeer naar Uruguay in 1948 weet hij haar te overreden mee te gaan.

  • 1949-1951

Hij trouwt met María Luisa Heras, maar twee jaar later scheiden ze alweer. Zoals gewoonlijk gaat Felisber­to hierna met zijn moeder in een pen­sion wonen.
Hij publiceert De Hortensia’s in een tijdschrift en daarna Mijn eerste juf.

  • 1954-1958

Hij leert Reina Reyes kennen, docen­te pedagogie en schrijfster, die niet alleen zijn vierde vrouw maar ook zijn muze wordt en hem zijn enthousiasme voor het schrijven teruggeeft. Als Felisberto haar ontmoet woont hij bij zijn moeder en werkt hij nog bij de radio. Reina huurt een huis waar ze enige tijd gelukkig samenwonen totdat hij op een dag tegen haar zegt: ‘Ik kan niet langer in dit huis slapen, omdat ik denk dat mama al­leen is in een donkere kamer.’ Daarop komt zijn moeder bij hen wonen. Reina weet hem een baantje te bezorgen ais stenograaf bij de Nationale Drukkerij en via haar krijgt hij toestemming om de piano in het Ateneo in Montevideo te gebruiken.

  • 1956

Hij sluit zich aan bij mondel (Mo­vimiento Nacional de la Defensa de la Libertad: Nationale Beweging voor de Verdediging van de Vrijheid), een anticommunistische organisatie, en stemt in met het geven van een reeks radiolezingen. Wat betreft zijn politieke standpunt bestaan er twee versies: die van zijn aanhangers, die beweren dat hij een politieke analfabeet is die zich uit naïviteit bij mon­del heeft aangesloten, en die van de anderen, die beweren dat hij ‘een duistere verbittering tegenover de menselijke soort koesterde; misschien dat er daarom in de verhalen van Felisberto meer voorwerpen dan mensen voorkomen en meer nieuwsgierigheid naar het verleden dan naar de toekomst’.

  • 1958

In augustus valt Reina, breekt een arm en wordt opgenomen in het ziekenhuis. Felisberto gaat niet bij haar op bezoek en verlaat het huis met zijn boeken en kleren. Aan het eind van dat jaar ziet men hem door de straten van Montevideo lopen met zijn nieu­we vriendin, María Dolores Roselló, die hij heeft leren kennen op de druk­kerij.

  • 1960-1962

Hij woont opnieuw bij zijn moeder terwijl hij zich officieel verlooft met María Dolores. Hij blijft op de druk­kerij werken, geeft pianoles en bereidt zich voor op wat hij ‘het grote concert’ noemt. Onvermoeibaar schrijft hij negen verhalen en diverse fragmenten in een door hemzelf verzonnen steno.
In 1960 wordt in Montevideo Het ondergelopen huis uitgegeven. In 1961 publiceert hij, in een luxe-editie, De krokodil. In Italië wordt een vertaling van Het ondergelopen huis opgenomen in een anthologie met verhalen uit de wereldliteratuur.

  • 1963

Felisberto lijkt zijn evenwicht te hebben gevonden, maar hij voelt zich steeds vermoeider. Ais liefhebber van een goede maaltijd schrijft hij deze vermoeidheid toe aan zijn overgewicht. Hij schrijft nu nog uitsluitend in steno. Hij begint na te denken over de dood, omdat hij voelt dat zijn lichaam hem in de steek laat. Zijn gezondheid verslechtert kort voor Kerstmis en hij moet worden opgenomen in het ziekenhuis, waar hij dagelijks bloedtransfusies krijgt. De diagnose is onomkeerbaar: leukemie in een terminaal stadium.

  • 1964

Aan het begin van het jaar wordt hij overgebracht naar het huis van zijn zus Ronga. Er wordt gezegd dat hij een nierziekte heeft. Hij is nieuwsgierig naar de dood en is alleen bang dat ‘zijn lichaam tijdens de dodenwake purper zal kleuren en ontoonbaar zal zijn voor het bezoek’.

In de vroege ochtend van 13 januari blijkt Felisberto’s stoffelijk overschot zo opgezwollen dat het niet door de deur kan en door het raam naar buiten moet worden gedragen. Bij aankomst op het kerkhof ligt hij enkele uren onder ‘de grote bomen’ terwijl de grafdelvers de kuil passend maken voor de kist.